De genealogie van ons voorgeslacht

 

Dit deel van het archief bevat gegevens en verhalen over onze families, over voorvaderen en nakomelingen. Het werd samengesteld uit allerlei bronnen, zoals twee zeer verre verwanten met wie de samensteller in contact kwam door hun liefde voor de genealogie. Van Joke Stoekenbroek-Oosterhuis in Bodegraven heb ik veel gegevens over onze verre voorgeslacht gekregen. Een ander contact was dat met Ans de Groot-Sevenhuysen in Eibergen. De van haar verkregen gegevens hadden vooral betrekking op het voorgeslacht van de families Sevenhuysen en Schoemaker.

Van wijlen Gosse Oosterbaan, volle neef van Grietje Stolp, kreeg ik de verhalen van de familie Visser (Grietje Visser was zijn moeder). Uit zijn boek Tussen Leven en Dood komen de verhalen over Trijntje Oosterhuis, de ongehuwde maar kinderrijke oudtante van wie Joke Stoekenbroek-Oosterhuis afstamt.

 

In dit deel kunnen zowel de verzamelde stambomen en kwartierstaten worden geraadpleegd, als ook een keur aan familieverhalen.

          

Mijn voorouders

 

Een genealogisch verslag door Ton Oosterhuis

 

Mijn zoon gelooft in reïncarnatie. Ik kan hem daar niet in volgen. Geloof in reïncarnatie is in mijn ogen geloven dat je ooit als een kloon van jezelf op aarde zult terugkeren. Volgens mij is het mystieke geheim van de schepping nu juist dat er twee mensen nodig zijn om één nieuwe te maken. In mathematische termen: 1 + 1 = 1. Iedere boreling is een volkomen nieuwe combinatie van mogelijkheden en eigenschappen. Uiteindelijk is een mens een product van tientallen generaties. Alle genen van het voorgeslacht zitten in hem samengeklonterd. Wie hij is of wat hij kan, wordt bepaald door de overgeërfde eigenschappen van vele voorvaderen. Een biografie behoort dus eigenlijk te beginnen met een stamboom en een uitvoerig signalement van allen die hun bijdrage aan het onderwerp van de biografie hebben geleverd. Zoiets is natuurlijk onbegonnen werk en ontbreekt dus vrijwel altijd. Tenzij je een vorst bent of een beroemde grootvader hebt. Geen van beide is op mij van toepassing, maar toch wil ik voor mijzelf en voor mijn nageslacht het landschap van al die genen in kaart brengen, wellicht ook, omdat daarin misschien iets van een verklaring kan worden gevonden voor de wisselvalligheden in mijn loopbanen, die ik heb beschreven in de autobiografie over Mijn twaalf ambachten. Een compleet beeld kan het natuurlijk niet worden. Het moet beperkt blijven tot wat korte notities.

        

Het geslacht Sevenhuysen

 

Grootmoeder aan moeders kant heette Sevenhuysen. Zij stamde af van die verre voorvader Gerardus Sevenhuysen (gedoopt op 14 november 1663 in Delft). Toen hij trouwde bracht hij in het huwelijk mee “een partij sucade gewaardeerd op f 932.-“, een “partij drop van soethout f 275.-“ alsmede 70 gouden ducaten en 50 carolusguldens. Gerardus had in de stad Amsterdam een bloeiende zaak als “banquet backer wonende binnen dese stad aan de Noordzijde van de Leliegraft”. Maar hij was niet sterk en hij overleed op 29 augustus 1719, een jaar na de geboorte van zijn enige zoon Gerardus. Zijn weduwe Hester Suyderhuys bleef achter in het bezit van een vermogen en een baby. Haar bezit omvatte toen een huis aan de Heerengracht, tussen de Spiegelstraat en de Heysteeg, en een fortuin aan goud en zilver, juwelen en porselein, linnen en dekens en voorts “een gladde kist en lessenaer”. Dat alles moest, aldus bepaalde haar testament, in goede orde bewaard blijven voor de opvoeding van haar zoon. De bakkerij werd overgedaan aan bakker Geelkerk. Zoon Gerardus werd predikant in Zeeland en de stamvader van een vroom doch nuchter Zeeuws geslacht van notarissen en belastingambtenaren.

           Een andere tak van m’n stamboom leidt tot een ontmoeting met Jan Roeland Carpentier, die in de achttiende eeuw als bode werkzaam was aan het hof van stadhouder Willem V. Hij overleed in 1773. Zijn dochtertje Sara was toen pas acht jaar oud. Het weesje groeide op bij vriendelijke mensen in Harlingen en trouwde in 1797 met de fiere marineofficier Jacobus van Maren. Twee jaar later maakte deze Jacobus van Maren (geboren ca 1763) zich onsterfelijk met een heldendaad die mr J. van Lennep heeft beschreven in zijn geschiedenisboek voor de jeugd. De gebeurtenissen speelden zich af toen de Engelsen in hun strijd tegen Napoleon van plan waren in Holland troepen aan wal te zetten.

 

In die tijd vertoonden zich nu hier dan elders enige vijandelijke schepen op onze kusten. Vier daarvan (11 Aug.) het Friese gat binnengeste­vend, tastten nabij Ameland een Bataafse brik aan, die, na moedige weerstand, genomen werd. Een kanonneerboot, die terzelfder hoogte lag, week onder Schiermonnik­oog, doch werd aldaar vervolgd en door schepen omzet. Geen middel tot verdediging ziende, zond de luitenant Van Maren, die er het bevel over voerde, al zijn volk naar wal, op drie man na, met wier behulp hij het geschut vernagelde, en de draaibassen over boord wierp: waarna hij, op het ogenblik dat de vijandelijke brik hem de volle laag gaf, en de overige vaartuigen hem tot op een snaphaanschot genaderd waren, zijn schip in brand stak. Nauwelijks zagen de vijanden de vlam uitbarsten, of, een ontploffing vrezende, stoven zij uit elkander: van welke omstandigheid Van Maren gebruik maakte om, nevens zijn krijgsmakkers, met de jol het land te bereiken.

(Uit: mr J. van Lennep, De voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland, aan zijne kinderen verhaald, deel IV pag.159.)

 

Het Instituut voor Maritieme Historie, dat ik hier over benaderde, verstrekte nog wat aanvullende gegevens:

 

13 aug. 1799 nadat de vlam in het voorluik is geslagen verlaat de commandant met 3 man in een jol het schip onder een hagelbui van kogels; des avonds vliegt het schip in de lucht; de bemanning gaat in 4 bewapende snikken (vissersvaartuigen) naar rede Texel 23 aug. 1799, doch i.v.m. de landing van Engelsen in Den Helder op 28 aug. 1799 uitgeweken naar Amsterdam.

(Uit: M.J.C. Klaassen, Adelborstenopleiding te Hellevoetsluis, Feyenoord, Enkhuizen 1803 – 1812,  in: Bijdragen tot de Geschiedenis van het Zeewezen, deel 13, pag. 31.

 

Staat niet gek, zo’n zeeheld onder je voorvaderen. Een paar jaar later werd hij geridderd door koning Lodewijk Napoleon. In 1813 raakte hij nog krijgsgevangen in Engeland, maar hij werd op erewoord vrijgelaten.

           Toen hij overleed op 13 maart 1816, vluchtte zijn toen vijftienjarige dochter Jacoba Hubertina van Maren (geboren op 18 december 1800) in de armen van Gerardus Abraham Sevenhuysen, een achterkleinzoon van de Amsterdamse banketbakker. Die verboden liefde leidde al snel tot een zwangerschap en derhalve tot een voorgenomen huwelijk. Hun eerstgeboren kind stierf al na drie weken (op 3 december 1817), één week voor de datum van hun bruiloft, maar daarna werd hun vruchtbaar huwelijk nog gezegend met dertien kinderen, zes zonen en zeven dochters. In het keurige handschrift dat hij zich als notaris had eigen gemaakt, noteerde de trotse vader de belevenissen van zijn kroost in een familieboek.

           Over de tweede zoon, Gerardus Johannes, geboren 24 mei 1823, lezen we daarin dat die op zijn veertiende van huis wegliep om militair te worden. Werd hij misschien geïnspireerd door de heldendaden van zijn grootvader? Het jongetje nam vrijwillig dienst in het leger en bracht het tot sergeant. Maar een oogziekte dwong hem terug in de burgermaatschappij. Met zijn relaties aan het thuisfront kon hij moeiteloos carrière maken als Ontvanger der Loodsgelden in Brouwershaven, tevens secretaris en ontvanger van de gemeente. Zwanger worden op je vijftiende, weglopen op je veertiende, ze waren er al jong bij. Wie de moeite neemt om mijn eigen levensdraad te volgen zal merken dat ik die opmerking niet zomaar maak.

           Voor de keuze van een huwelijkspartner was het oog van de Zeeuwse notabele Gerardus Johannes Sevenhuysen gevallen op de predikantsdochter Johanna Wilhelmina Meijer uit Ooltgensplaat. Aan haar - of beter gezegd aan haar vader - is ook weer een familieverhaal verbonden. Toen mijn moeder aan de rijkskweekschool in Apeldoorn studeerde, ontmoette ze daar een medeleerlinge die als twee druppels water op haar leek. Alleen was dat meisje als ’t ware een verfijnde uitvoering van hetzelfde model. Mijn moeder had in vergelijking met haar wat meer boerse trekken. Over die grote gelijkenis en het toch zo opvallende verschil werd veel gesproken en gespeculeerd. Iedereen vermoedde een familierelatie, maar hoe dan? Op een dag verscheen die vriendin op school met een afschrift van haar stamboom. Daaruit bleek dat omstreeks 1800 een dominee uit Duitsland was gekomen, die tweemaal was gehuwd, de eerste keer met een dame van deftige komaf (daar stamde de vriendin van af), de tweede keer met zijn dienstbode (daar stamde mijn moeder dus van af).

           Die Duitse dominee, zo bleek mij later, was Lambertus August Meijer (geboren 1774 nabij Kleef). Zijn standplaats werd Almkerk waar hij in 1800 trouwde met Jentien Westenbrink. Van de vier kinderen uit dit huwelijk was de jongste pas twee en de oudste negen, toen dominee bezweek voor de charmes van zijn 21-jarige dienstbode Elisabeth Ritmeester. Hij trouwde met haar op 20 mei 1813, zijn eerste echtgenote met haar vier kinderen overlatend aan de zorgen van haar familie. Dat de bruid reeds zwanger was, blijkt uit het feit dat het eerste kind van de dienstbode nog in datzelfde jaar werd geboren. In Almkerk kon de dominee waarschijnlijk niet blijven, dus verhuisde hij naar Ooltgensplaat op Flakkee. Daar werden nog zes kinderen geboren.

           Eén daarvan werd als echtgenote van Gerardus Johannes Sevenhuysen mijn overgrootmoeder. Het was haar dochter Jacoba Hubertina Elisabeth, kortweg Koosje, die als jonge onderwijzeres in Arnhem de Drentse boerenzoon Arend Schoemaker ontmoette. Ook hij had in het onderwijs zijn roeping gevonden.

 

Het geslacht Schoemaker

 

Op het grensgebied van de provincies Overijssel en Friesland liggen dicht bij elkaar de plaatsen Steenwijkerwold, Kallenkoot, Meppel, Havelte, Blesdijke en Vledder. Een kaart uit het begin van de 17e eeuw toont deze plaatsen deels in Drente, deels in Overijssel, maar in de acten vinden we de grietenij Stellingwerf-Westeinde uit de provindie Friesland als bestuurlijk gebied. Hoe het zij, in deze streek, tussen deze plaatsen, vinden we de oorsprong van het geslacht Schoemaker.

Op 18 december 1796 werd in Havelte geboren Egbert Jansz. Schoemaker, die trouwde met Trijntje Gosems Braamskamp. Zijn zoon Jan werd op 12 mei 1830 in Meppel geboren, maar later vestigde hij zich te Steenwijkerwold. Zijn vrouw was toen al overleden.

Jan Schoemaker trouwde op 23 april 1858 met Geertje Dekker, die op 19 juli 1837 in Steenwijkerwold was geboren. Deze Geertje was een dochter van Arend Evertsz. Dekker (geboren 22-10-1797 te Blesdijke) en Petertje Koenen Bont uit Vledder. Deze Petertje, dochter van Koendert Pieters Bont en Annechien Koenderts, was er één van een tweeling. Haar zusje heette Jacobje; de kinderen werden gedoopt op 9 oktober 1796 te Vledder.

Toen zij trouwde was Arend Dekker boer te Blesdijke en Petertje of Pietertje was dienstmeid te Kallenkoot, gemeente Steenwijkerwold, waar haar vader Koendert Bont als boer.was gevestigd.

Later wordt Jan Schoemaker vermeld als boer te Kallenkoot en we kunnen vermoeden dat hij dat was op de boerderij, die zijn vrouw van haar grootvader had geërfd.

Moeder Geertje is niet oud geworden. Zij overleed reeds op 30-jarige leeftijd, nadat zij vier kinderen het leven had geschonken:

Trijntje, geboren 10 januari 1859. Zij trouwde met Jan Berkenbosch (15-8- 1856). Hun kinderen waren Geertje (7-8-1885, overleden okt.1958) enJannes (lo-9-1888). Nakomelingen wonen nog in Wapsterveen.

Arend (24-7-1860) over wie straks meer.

Pietertje (tante Piele), geboren 28-4-1862, overleden januari 1889.

Egbert (oom Bart), geboren 14-5-1865, overleden 29 okt. 1895.

 

Toen Jan Schoemaker in 1902 overleed waren dus alleen zijn twee oudsten nog in leven. De dochter was het boerenbedrijf trouw gebleven, de zoon had als onderwijzer zich inmiddels met zijn gezin gevestigd in Broek in Waterland.

 

Arend en Koosje

 

Arend Schoemaker verliet het boerenland en vestigde zich in 1875 in Groningen, waar hij zijn studie voor onderwijzer voltooide. Zijn eerste baan bracht hem naar Arnhem. Daar vond hij vrienden, J.G.Nijk (2-10-1862) en F.C.Haarman (9-5-1858), en daar vond hij Koosje. Koosje Sevenhuysen was inmiddels onderwijzeres geworden en had ook haar eerste baan in Arnhem gekregen.

Als romantisch meisje anno 1880, het jaar van de Tachtigers. begon ze in Arnhem met een poesiealbum, waarin op 28 september 1880 het eerste versje werd geschreven door J.G.Geerlings, een vriend van broer Jan Willem die toen ook in Arnhem verbleef en het tweede versje op diezelfde dag voor zijn rekening nam.

De andere familieleden volgden rond Kerstmis van dat jaar, toen ze weer in Brouwershaven logeerde: Josephine, Betsy, Lambert en Theodoor.

Terug in Arnhem zien we haar vriendinnen de een na de ander in het album verschijnen: Corrie Arnoldus (29-5-1860), A.Broeker.

Ze was in huis bij de familie F.Z.Barkhuis (30-9-1845), schoolhoofd te Schaarsbergen. een gezin met drie kinderen Marie (3-1-1873), Chris (16-8-1874) en baby Anna (7-4-1880). Haar beste vriendin werd echter Anna van Ewijk (10-3-1863 - 29-11-1945). Met haar en nog enige vriendinnen werd op 22 januari 1883 de vereniging Excelsior, bestaande uit zes leden, opgericht met het doel het vloeken uit gewoonte af te leren. Elke overtreding werd beboet met één dubbeltje en uit de boetepot werd boerenjongens bekostigd. Uit de bewaard gebleven boekhouding blijkt dat Koosje een van de grootste vloeksters was en 17 dubbeltjes moest betalen. De uitgaven voor de boerenjongens werden als volgt gespecificeerd:

 

1 Kilo rozijnen                               0,70

pijpkaneel                                      0,15

1/4 kilo suiker                                0,17½

2½ fles brandewijn                        2.00

1 varkensblaas                               0,20

1 boekje                                          0,10

l/2 flesch brandewijn                     0,45

sigaren                                           0,24

taart en banket                               2,60

 

Uit de uitgave voor sigaren moge blijken dat het feestelijke nuttigen van de boetepot geen uitsluitend vrouwelijke aangelegenheid was.

Weldra kruiste ook de liefde het pad van de vriendinnen: Anna van Ewijk met F.C.Haarman en vriendin Koosje met vriend Arend Schoemaker. Al die vriendschappen dateren vermoedelijk van het jaar 1883.

Een beeld van het jonge onderwijzeresje heeft ze zelf voor ons bewaard en wel in een brief die ze jaren later aan haar dochter Ko schreef toen die de brui gaf aan het onderwijs (om verpleegster te worden) en daarvoor als reden aanvoerde dat ze geen orde kon houden. Moeder vertelt dan wat ze moet doen om een wanordelijke klasse tot gehoorzaamheid te brengen:

 

Commandeer met korte bevelen, "handen vooruit, omhoog, in de zij, op de rug" Zo deed ik vroeger altijd, ik begon er altijd mee en gaf soms ineens midden in een les zo'n bevel, als ik zag dat er teveel afdwaalden. Spreek vooral zelf niet veel, blijf voor de klasse. Als ze helemaal niet luisteren, blijf voor de klasse doodstil staan, maar teken op die ondeugend zijn. Laat dan die goedgezinden om twaalf uur naar huis gaan en houd de anderen school, of, en dat deed ik veel, wie van de week geen drie aantekeningen heeft, krijgt een nieuwe griffel of een chocolaadje of een prentje, in alle gevallen een beloning. Houd maar eens ouderwets school en wees vooral in de eerste tijd niet te scherp van gezicht wat vuile handen en zo aangaat.

 

Maar intussen wijdde het onderwijzeresje ook nog heel andere gedachten aan haar collega Arend Schoemaker.

Het was blijkbaar liefde op het eerste gezicht die door Koosje werd verwoord in lieflijke versjes:

 

 


Ontboezeming

 

 

Allenig rond te dwalen

Door groene loverzalen

Van ’t lachend Oosterbeek

Kan mij niet meer bekoren

Nu ik reeds lang te voren

Met u die boel bekeek

           Lieve Sjoes!

 

 

Als ’t lieve kuise maantje

Bestraalt het heerlijk laantje

Ginds achter Knepjes huis.

Dan wens ik daar te pozen,

Met u te minnekozen,

           Lieve  Sjoes!

 

 

Als bij de eendjesvijver

De avond ons steeds stijver

In zijnen sluier hult,

Wens ik mij neer te vlijen,

Een poos met u te vrijen

           Lieve Sjoes!

 

Dan smelt mijn ziel als boter,

Mijn liefde wordt steeds groter,

Wordt een verterend vuur.

Ik werp mij in uw armen,

Uw aêm zal mij verwarmen,

           Lieve Sjoes!

 

Kom laat ons drijvend dromen.

De maan schijnt door de bomen

En ziet ons vriend’lijk aan.

Zij zegent ons beminnen,

Wij zijn steeds vroom van zinnen

           Lieve Sjoes!


 

Het is de vraag of Koosje deze ontboezeming aan haar geliefde Arend heeft laten lezen, want als er iemand wars was van romantiek, dan was het wel deze boerenzoon met zijn nuchtere verstand. In Koosjes poesiealbum staat op de bladzijde, die onmiddellijk voorafgaat aan de bijdrage van F.Haarman (gedateerd 30 mei 1883) een ongetekende en ongedateerde tekst: “Poesie is goed, maar zij moet met de werkelijkheid hand aan hand gaan.”
Die woorden kunnen alleen maar van Arend Schoemaker afkomstig zijn. Zijn liefde was er ongetwijfeld niet minder om en het besluit om te trouwen liet niet lang op zich wachten. Arend kreeg een baan in Broek in Waterland en daar zou het jonge paar zich gaan vestigen.

Intussen was zuster Betsy verloofd met Leendert van der Have.

Vader Jan Schoemaker stond het helemaal niet aan dat zoon Arend met een onderwijzeres, dus een gestudeerd iemand, zou gaan trouwen. Nu wist Koosje als op één na oudste dochter uit een groot gezin wel iets van het huishouden af, maar niettemin ging zij, toen Arend hoofd van de school in Broek in Waterland was geworden, eerst nog drie maanden helpen in de huishouding van haar broer Jan Willem en haar zuster Betsy in Haarlem. Ze hadden er een fleurige tijd samen.

Op 1 december 1887 werd in ondertrouw gegaan en op 22 december 1887 trouwden de zusters Betsy en Koosje tegelijkertijd op het Haarlemse stadhuis met hun geliefden Leendert van der Have en Arend Schoemaker.

Na de plechtigheid trokken Koosje en Arend naar Broek in Waterland, van Amsterdam af met de trekschuit want de stoomtram kwam pas in 1889. Het gezin Schoemaker heeft volgens de burgerlijke stand in Broek op verschillende adressen gewoond (Wijk I       459 489 521 57, 3n 87), maar de kinderen herinneren zich alleen het grote houten huis bij de kerk, waarin later het postkantoor was gevestigd.

 

De kinderen uit hun huwelijk (vier dochters) waren:

 

Henriette Johanna Wilhelmina (Han) , geboren 10 januari 1889 om 1 uur, later getrouwd met Wim Banning (drie dochters Hans, Ko en Afke).

Gerarda Johanna (Gé), geboren 24 april'1890 om half één. Werd evenals Han opgeleid tot onderwijzeres, maar koos voor het beroep van kraamverpleegster. Bleef ongehuwd.

Jacoba Hubertina (Ko), geboren 20 februari 1892 om 4 uur ‘s morgens.Werd ook geen onderwijzeres, maar koos, zoals gemeld, voor het vak van verpleegster. Bleef ongehuwd.

Johanna Egbertina (Jo), geboren 19 april 1894, ‘s morgens om half tien. Trouwde met Nicolaas Oosterhuis, bakker, en kreeg drie zoons.

 

 

Het geslacht Oosterhuis

 

Men legt in genealogische overzichten meestal een eenzijdig accent op de mannelijke afstammingslijn. Alsof de bijdragen van de moeders aan onze genen van een verwaarloosbaar belang zouden zijn. Het is misschien uit protest tegen deze gewoonte, dat ik ben begonnen met het voorgeslacht van mijn moeder. Niet dat er geen verhalen over de voorouders van mijn vader zouden bestaan. Ik zou haast zeggen: integendeel. Want Trijntje Oosterhuis mag dan in deze tijd een bekende zangeres zijn, voor mij blijft die naam toch altijd verbonden aan die levenslustige tante van mijn grootvader die als ongehuwde moeder in een roddelend dorp met vuur en verve zeven onechte kinderen grootbracht. Deze Trijntje Oosterhuis werd geboren op 20 februari 1831 in Wormerveer. Na een mislukt huwelijk met ene Theunis van Exter ging ze ongehuwd samenwonen met turfdrager Dirk Woerdeman. Haar eerste kind van hem, zoon Pieter (1861), werd gevolgd door nog drie zonen en drie dochters. Gemakkelijk zullen die kinderen het in het dorp Zaandijk niet gehad hebben. Zelfs de gemeenteraad bemoeide zich ermee, zoals blijkt uit een overzicht van de belangrijkste raadsbesluiten in die jaren:

 

In september 1860 wil men druk uitoefenen op Dirk Woerdeman om toch maar in het huwelijk te treden met Trijntje Oosterhuis. Men vindt de huidige situatie onoirbaar. Dirk heeft geen bezwaar als de Gemeente de kosten voor zo’n huwelijk voor haar rekening wil nemen. (G. Oosterbaan, Tussen Leven en Dood, pag. 29-30)

Het moet voor de brave kolenhandelaar Hendrik Oosterhuis (1836-1925), die een bloeiende zaak had in Wormerveer, nogal pijnlijk zijn geweest dat zijn zuster Trijntje zo in opspraak was. Zelfs mijn vader heeft nooit enig vermoeden gehad van het bestaan van deze oudtante. Zelf kwam ik haar toevallig op het spoor toen mijn aangetrouwde neef Gosse Oosterbaan een boek samenstelde uit de politierapporten die de burgemeester van Zaandijk in de negentiende eeuw aan zijn superieuren stuurde. (G. Oosterbaan, Tussen Leven en Dood, pag. 139 e.v.).

 

Overigens had mijn grootvader al moeite genoeg met zijn eigen zoon Gerrit. Die wilde in zijn ogen ook maar niet deugen. Ik heb mijn grootvader Gerrit niet gekend. De verhalen over hem doen mij dat nog steeds betreuren. Mijn eigen vader had niet zo’n bewondering voor hem en dat is nogal begrijpelijk als je nagaat hoe de man om aan zijn dranklust te voldoen niet alleen zijn eigen verdiensten er doorjoeg, maar ook die van zijn zoon en zelfs om die reden diens pas gekochte nieuwe fiets verpatste. Maar populair was hij wel, vooral in de kroegen, zowel omdat hij een meester was op het biljart, maar ook omdat hij op datzelfde biljart de menigte vermaakte door liederen te zingen, met begeleiding van zijn accordeon. Later schijnt hij aardig wat te hebben verdiend met de verkoop van een zelfgeschreven receptenboek voor de bakkerij, waarvan ik een exemplaar als een kostbaar erfstuk bewaar. Hetzelfde geldt trouwens voor het boek Theorie en practijk voor de bakkerij dat mijn vader schreef toen hij chef-bakker was van de coöperatie Tot Steun in de Strijd in Enschede. Hij was toen al bijna tien jaar getrouwd met Elisabeth Egbertina Schoemaker, de jongste van de schoolmeester in Broek in Waterland. Haar had hij ontmoet toen ze in 1915 werkzaam was als onderwijzeres in Wormer en hij had indruk op haar gemaakt door zijn belezenheid: een bakker die boeken las! Want dat deed de jongeman die zowel bakker als bestuurslid was van coöperatie Voorwaarts in Wormerveer. En wat voor boeken! Een van mijn rijkste bezittingen was door de jaren heen de prachtige serie van H.P.G. Quack, De Socialisten, personen en stelsels, dat hij zich van zijn eerst verdiende geld moet hebben aangeschaft. Ook uiterlijk had hij weinig van een arbeider. Toen de familie in Broek in Waterland  hem bij zijn eerste bezoek over het kerkplein zag naderen, luidde de verbaasde uitroep van zijn aanstaande schoonmoeder: ‘Is dát hem, die hèèr?!’.

           Zij trouwden, ze kregen drie zoons en de jongste daarvan was ik. Terugkijkend op mijn afkomst herken ik veel van mijzelf in die verhalen over mijn voorgeslacht. Maar het meeste komt toch direct van mijn beide ouders. Mijn politieke overtuiging, want ze waren door en door rood. Mijn neiging tot het maken van roodgetinte verzen, want mijn moeder won ooit bij de VARA een prijs voor een nieuw strijdlied:

 

De rode vlam kwam uit het donker opgestegen

Zo onweerstaanbaar als de bloei in Mei.

De makkers trokken op met vaandels langs de wegen

Bereid om met één zwaai de wereld schoon te vegen;

De zege scheen zo zeker en nabij

 

Door crisis, oorlog en de greep van dictaturen

Werd menig glanzend ideaal gedoofd.

De makkers, wreed vervolgd, gekneusd in bange uren

Verzorgden wankelend de vlammenloze vuren,

Want ondanks alles heeft hun hart geloofd.

 

Het nieuwe licht, uit heimlijk smeulend vuur geboren,

Zoekt aarz’lend door het rokend puin zijn baan

Gij makkers! voedt, beschermt zijn eerste zwakke gloren

Opdat eenmaal de aarde, schoner dan tevoren,

In socialisme`s gouden licht zal staan.

 

En dat mijn leven daarnaast tevens werd gevuld met het schrijven van cabaretteksten, zal wel aan mijn vader hebben gelegen, want hij schreef aan de lopende band versjes als deze:

 

Een vrouw van een landman in Westzaan

zag haar man tot zijn nek in de mest gaan.

Zij riep toen heel luid:

“Zeg, Krelis, kijk uit!

Je hebt toch je zondagse vest aan!”

 

Een spin maakte als handwerk

een olifant van ragfijn kantwerk.

Dat kwam natuurlijk in de krant

als ‘Spin maakt olifant van kant!’

 

Er is een tijd van komen

en er is een tijd van gaan.

Maar is de tijd gekomen

dat je ligt om te komen

voor je gaat,

denk je: wat is die tijd

gauw omgekomen.

 

Hun jongste kind zou voldoende zijn toegerust met overgeërfde eigenschappen om zijn eigen koers in het leven te gaan varen.