

Een
waarzegger ben ik niet, noch een profeet. Maar uitvoerige bestudering van het
verleden heeft bij mij de gedachte doen opkomen, dat men de geschiedenis van de
toekomst kan aflezen uit het verleden. Ik schreef er een boek over, De
Geschiedenis van de Toekomst, dat in 1993 verscheen, maar toen weinig
opzien baarde. Toch ben ik van mening dat mijn hypothese wel enige aandacht
waard is en om dat aan te tonen, schreef ik een vervolg onder de titel De geschiedenis van de 21ste eeuw,waarin ik mijn
bevindingen in schema’s en overzichten nog eens heb samengevat. Als u klikt op
de titel, zal links de inhoudsopgave verschijnen.

Voor wie van puzzelen houdt, is er een verzameling verhalen over de beroemde kalief Abdallah al Mamoen. Ze voeren ons binnen in de bloeitijd van de Islam, toen tolerantie nog hoog in het vaandel stond van Mohammeds volgelingen. Ze geven ook inzicht in het belang van die tijd voor de ontwikkeling van westerse wetenschappen als de wiskunde. Bij al het negatieve publiciteitsgeweld over de Islam, lijkt me dit inzicht niet overbodig. Kalief Abdallah al-Mamoen was de zoon van kalief Haroen al Rasjied, die iedereen kent uit de verhalen van 1001 Nacht. Maar de zoon was wellicht nog bekwamer en beroemder dan de vader. De verhalen volgen zijn leven, zijn zoektocht naar de raadsels van Bagdad, de wetten der getallen, de reeksen van Allah en de geheimen van de Grote Piramide. Elke maand zal een vijftal verhalen verschijnen . De daarop volgende maand kan men dan de oplossingen van de vraagstukken opvragen. Het keuzemenu verschijnt links als je hier klikt


Gedurende een vijftal jaren (van 1950 tot 1955) was ik werkzaam als propagandist voor de Partij van de Arbeid. Mijn werk bestond uit een tweetal taken: als journalist redigeerde ik het colportageorgaan
Met Volle Zeilen, later Arbeid. Zelf publiceerde ik als Marius daarin versjes en verhalen. Bovendien schreef ik teksten voor de politieke cabaretgroepen. Uit beide activiteiten
kunt u een paar nostalgische teksten oproepen door hier te klikken.

Veel en graag schreef ik voor kinderen, meestal (zoals mijn historische verhalen)
voor de leeftijd van 10 tot 15 jaar. Maar ook sprookjes en voorleesversjes vloeiden
uit mijn pen. Uiteraard hebben wij zelf veel moeten voorlezen aan onze dochter en onze zoon. Wat de laatste
betreft, zijn capriolen heb ik destijds als Binkieballaden bezongen voor de radio in het programma Weer of geen weer
van de VARA. Ook van deze serie elke maand een paar herhalingen, zodat U ze nog eens kunt nalezen.
Vrijdag 6 januari 2005 16 maart 2005: De Tweede Kamer dringt weer aan op strengere maatregelen tegen de gevaren die ons bedreigen. Ik bedacht zomaar een sprookje.Historische verhalen

Sedert
mijn debuut als schrijver met het jeugdboek De kleine ranseldrager (1955)
heb ik mij door de jaren heen bezig gehouden met een verscheidenheid aan
historische studies. Niet alleen de tijd van onze vrijheidsoorlog (met boeken
over Lumey en de geuzen van Dokkum) en de middeleeuwen (met De moordzaak
Floris V), maar menig ander tijdperk hield wel voor kortere of langere tijd
mijn aandacht gevangen. Verhalenbundels als Van Ridder tot Koning en Met
en zonder harnas getuigen daarvan. Het leidde uiteindelijk ook over deze
onderwerpen tot meer geschriften dan mijn uitgevers in hun fonds konden
opnemen. Daarom kunt u ze nu hier lezen. Voor deze maand koos ik de volgende boeken:
1.
De moordzaak Dirk van Kleef, een regelrecht
vervolg op De moordzaak Floris V met diens vriend en bondgenoot in de
hoofdrol.
2.
De doornhaag om de kruidentuin, dat gelezen
kan worden als een vervolg op Lumey de vossestaart, want de hoofdpersoon
van deze beschouwingen is diens adjudant Bartold Entens van Mentheda.
5.
Tenslotte publiceer ik op Internet ook maar een aantal lezingen,
die ik over deze en andere historische onderwerpen heb uitgesproken.
Het leesplankje van de dichter

Op
m’n zestiende is het begonnen. M’n eerste en enige liefde verlokte mij tot
het dichten van eindeloze rijen sonnetten, rondelen en andere verzen. Ik begon
zelfs aan groots opgezette epiek. Ik experimenteerde en droomde en de neerslag
dwarrelde neer in vele boekjes en schriften. Soms is er iets van gedrukt, zoals
in het clandestiene tijdschrift Zaans Groen, later in Vrij Nederland en
nog weer later in De Tweede Ronde. Een selectie uit het vele dat
ongepubliceerd bleef, zal ik nu regelmatig op mijn website laten verschijnen. Er zijn twee rubrieken: de
eerste (A) bevat delen van mijn oorspronkelijk werk, de tweede (B) is een
verzameling vertaalde poëzie. Uit beide rubrieken selecteerde ik voor deze
maand de volgende werkjes:
A.
Oorspronkelijke poëzie.
Eerste pogingen.,
verzen die ik schreef rond m’n zestiende en die alle sporen dragen van
onbeholpenheid en enthousiasme dat puberale poëzie eigen is. Toch vind ik ze te
aardig om ze aan de vergetelheid prijs te geven.
Bovendien zal hier steeds het gedicht van de maand
verschijnen, het laatste gedicht dat tot nu toe uit mijn pen vloeide.
B. Vertaalde
poëzie
In deze rubriek deze maand:
De Maagd van Orleans, mijn
bewerking van het befaamde La Pucelle van Voltaire. Toen ik het destijds
een uitgever aanbood, luidde diens reactie: de vertaling is wel goed, maar het
origineel deugt niet. U kunt nu zelf oordelen. Elke maand zal er een deel van verschijnen.
Dagboekblaadjes met losse gedachten
De tv-actie voor de slachtoffers van de tsunami op Tweede Kerstdag 2004 heeft ruim 112 miljoen euro
opgebracht. Nog steeds worstelen velen met de vraag of zij in deze ramp de hand van God mogen herkennen.
Liever niet. Een God die men Liefde noemt, een Allah die men barmhartig noemt, hoe zou je die met zo’n
ramp in verband kunnen brengen? Het lijkt mij, dat de theologie toe is aan een vernieuwing van ons Godsbeeld.
Niet langer het beeld van die ene allesomvattende God, schepper van hemel en aarde, schepper van dieren
en planten, schepper van de mens. Anders gezegd: schepper van de materie, schepper van het leven op aarde,
schepper van de mens naar zijn evenbeeld. Dat zijn drie Scheppers die achtereenvolgens in actie zijn gekomen.
Die drie wezensvormen van die ene God worden ook in de heilige geschriften wel onderscheiden. Soms in een familierelatie als vader en zoon en heilige geest. En bij de Griekse denkers als Plotinus waren dat achtereenvolgens het Ene, de Geest en de Ziel. Ons natuurkundig inzicht vertelt ons, dat aardbevingen als ’t ware een kenmerkend onderdeel zijn van de geschapen aardbol met zijn schuivende aardlagen. Ik weet niet of de Schepper een beter product had kunnen afleveren. Wellicht is leven op aarde juist alleen maar mogelijk door de manier waarop die aardbol in elkaar zit, inclusief zijn spuwende vulkanen, scheuren in de aardkorst en niet te vergeten zijn overvloed aan water. Elk zijn ze de
attributen voor een tsunami, maar samen maken ze deel uit van een schepping die wij in dank hebben aanvaard.
Het zal allemaal wel uitermate ketters klinken, maar voor mij is de Schepper van de mens naar Zijn
evenbeeld niet te vereenzelvigen met de Schepper van hemel en aarde. De Schepper van de mens (volgens sommige recente theorieën afkomstig uit de ruimte) heeft dankbaar gebruik gemaakt van het reeds aanwezig milieu. Hetzelfde kun je zeggen van de Schepper van de aarde, voor wie bij zijn aantreden reeds bruikbare materie voorhanden was.
Uiteindelijk heeft de mens dat milieu geërfd met de opdracht het te beheren. Even afgezien van de vraag of hij zich van die taak naar behoren weet te kwijten, kun je alleen maar zeggen dat hij zijn geboortegrond in dank heeft te aanvaarden, hoewel de zee hem kan overspoelen, de orkaan hem kan wegwaaien, de sprinkhanenplaag zijn oogst kan verwoesten, zijn medemens met een verwrongen Godsbeeld hem kan vermoorden. Het is allemaal deel van die ene ondeelbare schepping en is de wereld waarin wij leven en waarin God ons heeft neergezet.
Er was eens een man die een mooi huis bewoonde. Hij was een tevreden mens, maar hij had één vervelende eigenschap: hij maakte zich zorgen. Hij maakte vrij veel. Soms maakte hij plezier, soms maakte hij aanstalten, soms maakte hij onderscheid, maar helaas, heel vaak maakte hij zich zorgen. Het begon op die dag, toen iemand bij zijn buurman een ruit ingooide. Het was hem zelf weliswaar niet overkomen, maar het zou toch kunnen gebeuren. Je weer maar nooit. Dus nam hij zijn voorzorgsmaatregelen. Want daar hield hij van, van voorzorgsmaatregelen. Hij timmerde houten planken voor zijn glazen ramen. De huiskamer werd er wel donker van, maar zulke dingen moest je voor lief nemen als je voorzorgsmaatregelen wilde nemen.
Een tijdje ging het daarna goed. Tot hij op een dag in de krant las, dat iemand van de trap was gevallen en een been had gebroken. Daar zal me niet gebeuren, dacht hij. Hij besloot geen gebruik meer te maken van de trap. Om toch op de bovenste etage te kunnen komen, liet hij in zijn huis een lift bouwen. Dat ging weer een tijdje goed. Tot hij het verhaal las van die man die in een vastgelopen lift zat opgesloten, terwijl zijn vrouw met vakantie was. Toen ze na drie weken terugkeerde, lag hij dood in de lift. Daar zal me niet gebeuren, dacht de man, die zich al weer zorgen maakte. Hij besloot geen gebruik meer te maken van de lift. Dan maar een half huis, dacht hij. Wonen in een half huis is beter dan doodgaan in de lift.
Toen las hij in de krant, dat er in de wereld boze mensen zijn, die soms huizen van andere mensen binnendringen om er dingen te stelen. Er zat niets anders op, vond hij, er moesten driedubbele sloten op alle deuren komen en de houten planken voor zijn ramen verving hij door stalen platen. Maar op een dag hoorde hij, dat iemand op straat was beroofd van zijn sleutelbos en dat de dief toen toch zijn huis was binnengedrongen. In paniek gooide hij zijn eigen sleutelbos weg, want je weet maar nooit, dacht de man die zich zorgen maakte.
Toen kon hij zijn eigen huis niet meer uit. Dat kon hem niet zoveel schelen, want het belangrijkste was dat hij zich geen zorgen meer hoefde te maken. Niemand kon bij hem de ruiten ingooien, hij kon niet van de trap vallen of sterven in de lift, niemand zou zijn huis kunnen binnendringen. Hij was volkomen veilig.
Men zegt dat de politie op een dag zijn voordeur heeft geforceerd, omdat men niets meer van de bewoner zag. Maar dat heeft hij niet meer hoeven meemaken, want toen lag hij al weken dood in zijn donkere huiskamer.